De voorzitter van het Indisch Platform, de heer Jan de Kleyn, gaf de volgende speech tijdens de presentatie van het boek 'Indische rekening. Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945-2005' in Bronbeek, Arnhem.
Excellentie, Dames en Heren,
Gaarne maak ik gebruik van de mij geboden mogelijkheid om een eerste reactie te geven namens de Indische Gemeenschap. De eerlijkheid gebied mij om te zeggen dat ik mag spreken namens het Indisch Platform. Aangezien thans vele organisaties en Indische verenigingen deel uitmaken van voornoemd Platform durf ik nu voor het eerst ook te stellen dat ik mag spreken namens een deel van de Indische gemeenschap.
Het was overigens wel het Indisch Platform, dat onder leiding van mijn voorganger de Generaal Rudy Boekholt, in de eind negentiger en begin twintiger jaren, heeft bepleit en bereikt, gedurende vele onderhandelingen, dat deze studie, als een van de 4 deelstudies van een Breed Historisch Onderzoek er is gekomen. Ik bespaar u een technisch verhaal over deze onderhandelingen waaruit ook de financiële tegemoetkomingen van het zogenaamde "Gebaar" zijn voortgekomen. "Het Gebaar" en de deelstudies, die nu gaan verschijnen, horen dus bij elkaar. Ik ga er nu niet verder op in.
Ik benut liever de mij geboden tijd, om op het voorliggende boekwerk in te gaan Indische Rekening. Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945-2005 van Hans Meijer. Maar alvorens mijn reactie te geven zal ik mij even voorstellen. Ik ben Jan de Kleyn, voorzitter van het Indisch Platform. Ik ben een gepensioneerd generaal van de Koninklijke Landmacht.
Ik vertegenwoordig binnen het Indisch Platform geen vereniging of Indische organisatie.
Ik ben, voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Azië, in 1941 op Borneo geboren.
Mijn vader was een beroepsofficier bij het KNIL en heeft gedurende zijn Japanse krijgsgevangenschap dwangarbeid moeten verrichten aan de Birma spoorlijn.
U voelt natuurlijk wel dat de voorliggende materie mij buitengewoon interesseert.
Nogmaals wil ik stellen dat ik, namens het Indisch Platform spreek; waarbij ik hoop dat mijn reacties hun instemming zullen krijgen, omdat het merendeel van hen nog geen kennis heeft kunnen nemen van dit boeiende document.
In deze eerste reactie spreek ik met genoegen mijn waardering uit in de richting van de onderzoeker/scribent de heer Meijer en aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Voor ons ligt een zeer lezenswaardig, boeiend beschreven en overzichtelijk document. Een juist gehanteerde volgorde van de gebeurtenissen, waarbij achtergrondinformatie bij de besluitvorming een belangrijke rol speelt, maakt dit boekwerk zeer waardevol. Wij denken ook, dat er niets is aangedikt en dat het maximum is gehaald uit het gevonden materiaal. Heel voorzichtig durf ik best het woord objectief te gebruiken, omdat wij denken dat de schrijver niet wist waar hij zou uitkomen. Er is dus geen sprake van een vooropgezet beeld. Wij hadden eigenlijk ook niet anders verwacht van het NIOD. Het is goed om nu een document te hebben waarin veel rond de niet of onvolledig uitbetaalde salarissen van de rijksambtenaren in Nederlands-Indië, chronologisch is opgesomd.
De heer Meijer neemt ons op uitstekende wijze mee door de vele jaren van besluitvorming en besluiten en weet op goede wijze de, op dat moment geldende, omstandigheden te schetsen. Hierbij is nimmer een waardeoordeel door de schrijver gegeven. Nogmaals onze complimenten voor dit werk.
Als ik u mijn eerste reactie over de inhoud geef raak ik soms bewogen. Blijkbaar was mijn weerstand op 40 en 50-jarige leeftijd, toen ik met deze materie, die ik als onrechtmatig beschouw, in aanraking kwam, groter, dan op de 64-jarige leeftijd, die ik nu heb.
Natuurlijk wisten wij Indische Nederlanders al veel van deze zaak; een respectabel aantal nog in leven zijnde Indische Nederlanders van de eerste generatie oorlogsgetroffenen, hebben het immers aan den lijve ondervonden. Met het voorliggende document kunnen we beter dan ooit, met een helikopterview boven dit tussen aanhalingstekens gevechtsveld hangen om een samenhangend beeld te krijgen van de afwikkeling van de niet uitbetaalde salarissen aan de Rijksambtenaren in Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In deze eerste reactie moet ik helaas zeggen dat enkele betrokken leden van het Indisch Platform en ik, bij het lezen van dit boekwerk, geschokt en geschrokken zijn. En ik overdrijf met opzet niet. Ik heb geen behoefte aan een opgeklopte overreactie. Maar woorden als, politieke onwil, vertraging, eigen belang, moedwillig afschuiven en een schrijnend gebrek aan interesse in- en medeleven met de oorlogsslachtoffers uit Indië, passen zeker bij de diverse Nederlandse regeringen na de Tweede Wereldoorlog.
Zoals ik al zei, het raakt ons weer emotioneel.
Hoe is het toch mogelijk dat een regering zo omgaat met een deel van haar landgenoten?
Waarom worden gekunstelde, oneigenlijke, argumenten gevonden om van verplichtingen af te komen of om er maar voor een klein deel aan te voldoen?
Duidelijker dan ooit komt nu naar voren dat er een enorm brok oneerlijkheid op de tafel van diverse regeringen ligt.
Ik schets u wat voorbeelden.
Bij de afdoening van de, gedurende 41 maanden, niet uitbetaalde salarissen werd zeer terughoudend gereageerd over de periode en over de financiële hoogte van de bedragen als het ging om de Nederlands-Indische rijksambtenaar.
Het Marine personeel (viel onder NL regering) in Japans krijgsgevangenschap kreeg 100% uitbetaling, evenals de KNIL militairen van Zuid-Afrikaanse afkomst.
In dit laatste geval wilde de NL regering geen diplomatieke problemen krijgen met Zuid- Afrika.
De NL militairen in Duits krijgsgevangenschap kregen ook volledige uitbetaling na hun terugkeer, evenals de Indische Rijksambtenaar (vielen onder Nederlands-Indisch Gouvernement), die ook toevalligerwijs in Duits krijgsgevangenschap geraakten.
Nogmaals willekeur; het moest in het politieke plaatje van de regering passen.
Ik vergelijk met opzet niet het ondergane leed tussen internering en krijgsgevangenschap ondergaan in Duitsland of ergens in Oost-Azië.
Ik weiger altijd dat soort vergelijkingen te maken.
Voor mij bestaat er geen hiërarchie in leed.
Voorts moet mij nog iets van het hart.
Als je werkelijk onder de rechtmatige uitbetaling uit wil komen, zoals vele regeringen hebben gedaan, dan geef je elke keer een klein beetje en je noemt het anders. Het klinkt immers niet om te zeggen dat het slechts een erg klein deel van je rechtmatig salaris van 41 maanden betreft. Je noemt het dus anders. Je noemt het rehabilitatie uitkering, slotrehabilitatie- ordonnantie, achterstallige betaling of uitkering voor geleden leed. Inderdaad verdwijnt het begrip waar het om gaat te weten het uitbetalen van niet ontvangen salarissen door rijksambtenaren. Op deze wijze is het mogelijk telkens met kleine beetjes de financieel juridische verplichtingen en later de morele verplichtingen na te komen. Hierbij betaal je telkens wat kruimels en fooien uit, verspreid over een lange periode. Door de begripsverandering ontstaat bovendien het gevaar dat het doel (uitbetaling van achterstallige salarissen) uit het oog wordt verloren. Door te spreken over leed geef je bijvoorbeeld alleen de geïnterneerden recht op uitbetaling, omdat wordt gemeend dat alleen een geïnterneerde heeft geleden. Daarbij vergeet men dat de niet geïnterneerde rijksambtenaar ook geen salaris ontving en eveneens onder moeilijke omstandigheden de Japanse bezetting moest doorkomen.
Door te spreken over achterstallige uitbetaling sluipt de vergoeding van inboedel en huisraad binnen de backpay-materie. Het ging toch om salaris en niet om bijzondere aspecten van rechtsherstel? Door op deze wijze om te gaan met de Indische Nederlander ontstaat de vervelende situatie van ontevredenheid, waar wij Indische Nederlanders al jaren mee zitten en zelfs onder gebukt gaan.
Na iedere onvolledige uitbetaling, zijn wij immers niet tevreden en vragen wij weer om ons rechtmatig salaris of dat van onze ouders. Na iedere uitbetaling is er steeds weer een groep of zijn er groepen Indische Nederlanders, die tussen de kade en het schip vallen. Vaak is dit ook het gevolg van de eerder genoemde begripsvervaging. We komen, voor de autochtone Nederlanders, over als nooit tevreden klanten; inwoners die om geld blijven zeuren. Zij vinden dat wij eens moeten ophouden. Zelfs ik opperde zoiets naar mijn vader in de tachtiger jaren.
Ik schrok van zijn reactie.
Ik begrijp nu zijn reactie.
Die is gelijk aan de mijne nu.
Zoals zovele Nederlanders kende ook ik toen de achtergronden niet volledig.
Gelooft u mij, wij, Indische Nederlanders zijn onmiddellijk tevreden als de rechtmatige salarissen over 41 maanden direct na Wereldoorlog Twee zouden zijn uitgekeerd.
Precies zoals vele landen, zoals Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten van Amerika, Frankrijk, Engeland en Noorwegen, maar ook Portugal, Italië en België etc. hebben gedaan.
Ja natuurlijk, zult u denken, enkele landen waren niet beschadigd.
Maar Engeland deed het toch ook en ook dat land verkeerde na de Tweede Wereldoorlog in een deplorabele financiële toestand. Dit Koninkrijk was nagenoeg failliet.
Door over achterstallige salarissen te blijven spreken worden ook automatisch de juiste personen uitbetaald.
Ik stop met dit inhoudelijke betoog.
Maar om meer begrip te krijgen voor de standpunten van de Indische Gemeenschap vroeger, toen mijn ouders in hun schaarse bestaan naar het salaris hunkerden en de Indische Gemeenschap nu, verzoek ik ruime bekendheid te geven aan dit lezenswaardige boekwerk van Hans Meijer.
Alleen dan begrijpt men dat wij geen zeurders zijn die nooit tevreden zijn.
Alleen dan begrijpt men waarom wij vasthoudend zijn.
Alleen dan begrijpt men waarom wij ons soms tweederangs burgers voelen.
Alleen dan begrijpt men dat deze oneerlijke- en incomplete behandeling/uitbetaling bijgedragen heeft aan het ontstaan van traumatische ervaringen van Indische oorlogsgetroffenen. Het zijn niet alleen de oorlogservaringen die pijn kunnen blijven doen, maar ook de ontkenning en het negeren ervan door de overheid.
Het gaat om nooit betaalde salarissen gedurende vele maanden aan vaders en grootvaders van ons.
Wij van het Indisch Platform zullen ons daarom inspannen, om dit boekwerk op de juiste plaatsen binnen de Nederlandse samenleving te krijgen.
Wij zijn geen zeurders.
Voordat ik ga afsluiten brengt dit mij toch tot nog een punt.
Ik vraag de schrijver op voorhand, dit punt niet als kritiek op te vatten.
Wij van het Indisch Platform zouden graag een groot uitklapbaar overzicht willen, waarin staat
- wat bij stukjes en beetjes wanneer is uitgekeerd door de diverse regeringen
De Indische Gemeenschap een beetje kennende gaat zij mogelijk zelf zulke overzichten ontwerpen en ik weet nu al dat er verschillen zullen zijn.
Dames en Heren
Voor u stond een vertegenwoordiger van een deel van de Indische Gemeenschap.
Ik dank dat ik hier het woord mocht voeren.
We zullen na het verschijnen van meer boekwerken voortkomend uit het Breed Historisch Onderzoek contact zoeken met vertegenwoordigers van onze regering.
Tot die tijd zal over dit onderwerp zoveel mogelijk interne voorlichting worden gegeven.
Voorlichting zonder aandikken, zonder aanscherpen, zonder ongenuanceerde accentueringen
Het voorliggende, objectieve feitenmateriaal is al schrijnend genoeg.
Wij beseffen maar al te goed dat deze studie weer verontwaardiging, woede en verdriet zal opwekken
Ik dank nogmaals de schrijver de heer Hans Meijer en ik dank in professor Blom het gehele NIOD.
Ik spreek ook mijn dank uit aan de harde werkers, die namens het Indisch Platform dit onderzoek hebben begeleid. Ik doel op Ed Herni en Generaal Ben Bouman, die namens het Indisch Platform in de begeleidingscommissie van deze deelstudie waardevolle adviezen hebben gegeven en daarbij kosten noch moeite hebben gespaard om de Indische Gemeenschap ter wille te zijn.