Stichting Indisch Platform
De heer H. Th. Bussemaker, voorzitter
c/a Postbus 85747
2508 CK DEN HAAG
Datum 28 april 2011
Betreft reikwijdte van 'het Gebaar'
Geachte heer Bussemaker,
Aanleiding
Op 28 oktober 2009 heeft de voormalige staatssecretaris van VWS, mevrouw Bussemaker, met een delegatie van het Indisch Platform gesproken over de onderzoeksrapporten Indische rekening (Hans Meijer, 2005) en Sporen van vernieling (Peter Keppy, 2006) en de kabinetsreactie in de brief aan de Tweede Kamer van 12 januari 2007. U meende toen dat in deze brief een aantal fouten en onjuiste premissen staan. Ik heb daarom, zoals toegezegd, in afstemming met de betrokken bewindspersonen deze brief nog eens tegen het licht gehouden. Dit heeft tot de conclusie geleid dat het kabinet onverminderd blijft staan achter de inhoud van de brief aan de Tweede Kamer van 12 januari 2007. Ons gesprek op 14 april 2011 heeft daar geen verandering in gebracht.
Finaal karakter van `het Gebaar'
Uit het verslag van het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 8 februari 2001 (Tweede Kamer 2000 - 2001, 25839, nr. 23) naar aanleiding van het regeringstandpunt van 21 maart 2000 (Tweede Kamer 1999 — 2000, 25839, nr. 13) en de nadere uitwerking van 12 december 2000 (Tweede Kamer 2000 -- 2001, 25839, nr. 21) blijkt dat de regering met 'het Gebaar' beoogd heeft finaal recht te doen. De minister van VWS beantwoordt een vraag hierover als volgt:
"...dat met het bedrag van 350 min. gulden het collectieve gebaar is afgesloten. Het breed historisch onderzoek is vooral nodig omdat er veel witte vlekken bestaan. De historische documentatie over de bezettingsperiode en de periode daarna moet dan ook worden aangevuld om de ontwikkelingen te reconstrueren. Het Indisch Platform heeft uitdrukkelijk gevraagd om de notitie van oktober 2000, Aspecten van rechtsherstel, mee te nemen bij dit onderzoek. Een aanvullend onderzoek naar het rechtsherstel zal dan ook een herkenbaar onderdeel gaan vormen van het breed historisch onderzoek. De commissie-Van Galen en de technische commissie haalbaarheidsonderzoek hebben beide moeten vaststellen dat er teleurstellend weinig archiefmateriaal beschikbaar is. Na grondige bestudering van een en ander is het de overtuiging van de regering dat het breed historisch onderzoek weinig nieuwe aanknopingspunten, inzichten, feiten of claims zal opleveren inzake het rechtsherstel. Er is een maximale inspanning verricht om de feiten te achterhalen. De kans dat de Nederlandse regering 'op Indisch geld' zit is dan ook minimaal oftewel vrijwel uitgesloten."
En verderop:
"Als de resultaten van het onderzoek bekend zijn zal de regering zich daarin verdiepen en vervolgens geen discussie uit de weg gaan. Het collectieve gebaar is echter gemaakt met het bedrag van 350 min. gulden.".
Juist vanuit de overtuiging dat de Nederlandse regering niet 'op Indisch geld' zit is gezien de hoge leeftijd van betrokkenen besloten 'het Gebaar' niet uit te stellen tot na het verschijnen van de onderzoeksresultaten. 'Het Gebaar' is dus finaal en de uitkomsten van het historische onderzoek, of het nu gaat om rechtsherstel volgens de door u aangehaalde definitie van onderzoeker Peter Keppy, backpay of oorlogsschade, doen daar niets aan af.
Ten aanzien van onderbouwde individuele claims heeft het kabinet overigens, zoals u bekend is, aangegeven dat deze niet zullen verjaren en dat de resultaten van de onderzoeken mogelijk kunnen helpen bij het onderbouwen van individuele claims. Van de bijna dertig claims, die ieder zijn voorgelegd aan de landsadvocaat, bleek desondanks dat geen ervan voldoende gefundeerd is om te kunnen honoreren.
Reikwijdte van 'het Gebaar'
De reikwijdte van 'het Gebaar - een ander discussiepunt - is veel breder dan slechts een tegemoetkoming vanwege kille ontvangst in Nederland. Natuurlijk speelde mee dat de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) onderzoek verrichtte en in 2001 rapporteerde dat de opvang in Nederland voor alle oorlogsgetroffenen kil en bureaucratisch was. Aan de basis van 'het Gebaar' liggen echter primair de bevindingen van de begeleidingscommissie Onderzoek Indische Tegoeden (commissie-Van Galen, 17 januari 2000) en het Inventarisatierapport Haalbaarheidsonderzoek Indische tegoeden (31 augustus 2000). En natuurlijk de beschikbare informatie vanuit de Indische gemeenschap zelf. Bijvoorbeeld een gezamenlijke brief van 1 maart 1999 van BEGO, Madjoe, KJBB en JES en de notitie 'Aspecten van het rechtsherstel van het Indisch Platform van 16 oktober 2000, waarin ondermeer ook de onderwerpen oorlogsschade en backpay voor het voetlicht werden gebracht. Ook uit de vele brieven die bij het op mijn
departement ingerichte Meldpunt Onderzoek Indische Tegoeden werden ontvangen bleek dat men naast alle persoonlijke leed en ontberingen ook getroffen werd door roof en het verdwijnen van persoonlijke bezittingen buiten de door de commissie-Van Galen onderzochte bank- en verzekeringstegoeden.
In het kabinetsstandpunt van 21 maart 2000 (Tweede Kamer 1999 - 2000, 25839, nr. 13) is opgenomen dat het kabinet "ten volle erkent, terugkijkend met de wetenschap en de ogen van nu, dat er teveel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel is geweest". Daarvoor heeft de regering oprechte spijt en verontschuldigingen uitgesproken. Ten aanzien van de Indische gemeenschap is opgenomen dat de gesignaleerde tekortkomingen in het Indische rechtsherstel meer gewicht krijgen in combinatie met diverse andere problemen waarmee de vervolgingsslachtoffers zich na de Japanse bezetting in Nederlands-Indië geconfronteerd zagen. De regering heeft aangegeven dat daarom een gebaar op zijn plaats is dat het Indische rechtsherstel met zijn relatief beperkte reikwijdte overstijgt. En in de nadere uitwerking van 12 december 2000 (Tweede Kamer 2000 - 2001, 25839, nr. 21) is opgenomen:
"Op grond van die vermoedelijke tekortkomingen in het Indisch rechtsherstel in combinatie met diverse andere problemen waarmee de vervolgingsslachtoffers zich na de Japanse bezetting geconfronteerd zagen - met name de vijandige bejegening door Indonesiërs die naar onafhankelijkheid streefden en de grenzen die de ontwikkelingen in de periode tot aan de soevereiniteitsoverdracht hebben gesteld aan het rechtsherstel - acht de regering een gebaar op zijn plaats." De stelling van het Indisch Platform dat `het Gebaar' slechts werd gemaakt vanwege de koele ontvangst in Nederland wordt niet door feiten ondersteund. Het is een tegemoetkoming - geen compensatie of schadevergoeding - met een veel bredere reikwijdte.
Betekenis van de historische onderzoeken
De onderzoeken, onderdeel van 'het Gebaar', hebben geleid tot een verbreding en verdieping van historische kennis. Ten aanzien van de door u opgevoerde backpay-kwestie bevestigt onderzoeker Peter Keppy dat een claim niet gehonoreerd kan worden, aangezien met arresten van de Hoge Raad uit 1956 en 1958 vast is komen te staan dat er ten aanzien van de Nederlandse regering geen verplichting bestaat om achterstallige salarissen uit te betalen aan KNIL-militairen en oud-gouvernementsdienaren. Ook wordt bevestigd dat ten aanzien van oorlogsschade een claim voor schadevergoeding niet bij de Nederlandse overheid neergelegd kan worden. Er zijn, kortom, uit het onderzoek geen juridische aanknopingspunten naar voren gekomen die aanleiding geven het kabinetsstandpunt te heroverwegen.
De onderzoeksrapporten bevestigen wat ten tijde van `het Gebaar' al als waarschijnlijk werd aangenomen. Dat heeft toen geleid tot erkenning, excuses en een financiële tegemoetkoming. De rapporten vormden voor het kabinet dan ook geen aanleiding om een aanvullend bedrag beschikbaar te stellen. Het kabinet heeft wel steeds aangegeven dat zij naar aanleiding van de onderzoeksresultaten geen discussie uit de weg zal gaan. Het gesprek met de toenmalig staatssecretaris Bussemaker op 28 oktober 2009 is daarvan een voorbeeld, evenals onze gesprekken in april 2011.
Tenslotte
Het kabinet is al vele jaren in overleg met het Indisch Platform en organisaties die daarin zijn vertegenwoordigd. ik heb respect voor de standvastigheid waarmee het Indisch Platform vasthoudt aan eigen overtuigingen, ook al kan ik die lang niet altijd delen. Helaas is de keerzijde daarvan dat daarmee ten onrechte verwachtingen worden gewekt bij uw achterban. Vandaar de zakelijke helderheid waarmee ik u dit schrijf. Dit doet niets af aan de erkenning voor wat destijds is gebeurd en wat mensen is overkomen.
Een afschrift van deze brief stuur ik naar de Tweede Kamer.
Met vriendelijke groet,
de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner